ECLI:NL:CRVB:2015:3798

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 oktober 2015
Publicatiedatum
30 oktober 2015
Zaaknummer
14/3336 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 17 BeroepswetWet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo)Stb. 2012, 682
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening van bestuursuitspraak afgewezen wegens onredelijke termijn

Verzoeker heeft bij brief van 5 juni 2014 verzocht om herziening van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 januari 2011, waarin zijn beroep tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank ongegrond werd verklaard.

De Raad oordeelt dat herziening alleen kan worden gevraagd van de oorspronkelijke uitspraak en niet van een eerdere herzieningsuitspraak. Het verzoek om herziening is gebaseerd op feiten die verzoeker al langer dan een jaar kende, terwijl het verzoek meer dan een jaar na bekendwording van deze feiten is ingediend.

Volgens vaste rechtspraak wordt een herzieningsverzoek dat meer dan een jaar na bekendwording van nieuwe feiten wordt ingediend als onredelijk laat beschouwd en dient het verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De Raad komt daardoor niet toe aan inhoudelijke beoordeling van het verzoek en benadrukt dat herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak of de uitspraak.

Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd. De Raad verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke late indiening.

Uitspraak

14/3336 WUBO
Datum uitspraak: 22 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 8 mei 2014,
13/270 WUBO
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft bij brief van 5 juni 2014 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 8 mei 2014, 13/270 WUBO.
Verweerder heeft op het verzoek om herziening gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2015. Daar is verzoeker, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1. Bij uitspraak van 20 januari 2011, 10/940 WUBO (ECLI:NL:CRVB:2011:BP1992), heeft de Raad het beroep van verzoeker tegen een besluit van verweerder van 31 december 2009 ongegrond verklaard voor zover verweerder daarbij heeft geweigerd de ingangsdatum van
1 mei 2008 van de op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) aan verzoeker toekomende toeslag en voorzieningen te wijzigen. Daarbij is geoordeeld dat de Raad al meermalen in uitspraken heeft bevestigd dat van een eerdere causale invaliditeit dan in mei 2008 niet is gebleken.
2. Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van 8 mei 2014, waarbij afwijzend is beslist op het verzoek van verzoeker om de uitspraak van 20 januari 2011 te herzien.
2.1.
Naar de Raad eerder heeft geoordeeld (o.a. de uitspraak van 11 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7934) kan alleen van de oorspronkelijke uitspraak herziening worden gevraagd en niet van een herzieningsuitspraak. Onderhavige verzoek moet dan ook worden opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke, onder 1 genoemde, uitspraak van 20 januari 2011.
2.2.
Het verzoek om herziening heeft dus betrekking op een uitspraak van vóór de op
1 januari 2013 in werking getreden Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682), waarbij wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet zijn aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft dan, in verbinding met artikel 17 van Pro de Beroepswet, artikel 8:88 van Pro de Awb nog van toepassing op het verzoek om herziening.
2.3.
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.1.
Naar inmiddels vaste rechtspraak van de Raad (o.a. de uitspraak van 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1702) wordt vooropgesteld dat van degene die herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.2.
Een verzoek om herziening als het onderhavige wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
3.3.
In deze zaak heeft verzoeker het herzieningsverzoek in essentie gebaseerd op de meermalen geponeerde stelling dat hem ten onrechte vanaf 1976 aanspraken krachtens de Wubo zijn onthouden. Nu gesteld noch gebleken is dat verzoeker pas minder dan een jaar voor de datum van indiening van het herzieningsverzoek bekend is geworden met deze gegevens en de oorspronkelijke uitspraak dateert van meer dan een jaar voor de datum van het herzieningsverzoek, moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.
3.4.
Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Het voorgaande betekent dat de Raad aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om herziening niet toekomt. Hierbij herhaalt de Raad nog maar eens dat hij al meermalen heeft uitgesproken dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheden, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van
M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
22 oktober 2015.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) M.S. Boomhouwer

HD