ECLI:NL:CRVB:2015:3807

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2015
Publicatiedatum
2 november 2015
Zaaknummer
15/5814 WIA-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 475b Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 475c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening WIA-uitkering wegens ontbreken financieel spoedeisend belang

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar per 2 december 2013 een WIA-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na afwijzing van het bezwaar en het beroep bij de rechtbank, heeft verzoekster hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep en verzocht om een voorlopige voorziening in de vorm van een maandelijkse inkomensaanvulling tot bijstandsniveau.

De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of sprake is van onverwijlde spoed en een financieel spoedeisend belang. Verzoekster stelde dat haar inkomen lager is dan de bijstandsnorm en dat zij aanzienlijke schulden en betalingsachterstanden heeft, waaronder naheffingsaanslagen en huurbetalingen.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verzoekster niet geheel zonder inkomsten is, aangezien zij alimentatie en zorg- en huurtoeslag ontvangt. Daarnaast is zij beschermd door de beslagvrije voet-regels. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden die een onmiddellijke voorziening rechtvaardigen. Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een financieel spoedeisend belang.

Uitspraak

15/5814 WIA-VV
Datum uitspraak: 28 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[Verzoekster] te Middelburg (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. N.J. Moens, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 december 2014, 14/3794 (aangevallen uitspraak) en op 28 april 2015 tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Bij uitspraak van 26 juni 2015, 15/2919 WIA-VV, heeft de voorzieningenrechter van de Raad het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Bij brief van 24 augustus 2015 heeft mr. Moens wederom een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2015. Voor verzoekster is verschenen mr. Moens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2.
Bij besluit van 4 november 2013 heeft het Uwv geweigerd verzoekster per 2 december 2013 een WIA-uitkering toe te kennen, nu de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Bij beslissing op bezwaar van 16 mei 2014 zijn de bezwaren van verzoekster tegen het besluit van 4 november 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft verzoekster zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat het Uwv haar belastbaarheid per 2 december 2013 heeft onderschat. Verzoekster is van mening dat zij, gelet op haar medische beperkingen, recht heeft op een WIA-uitkering. Zij heeft wederom verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het Uwv wordt veroordeeld om bij wijze van een maandelijks voorschot op de WIA-uitkering haar inkomen aan te vullen tot bijstandsniveau.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval in het bijzonder toe op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht.
4.3.
Verzoekster heeft ter motivering van het door haar gestelde spoedeisend belang aangevoerd dat zij, doordat het Uwv haar een WIA-uitkering heeft geweigerd per 2 december 2013, in een financiële noodsituatie is geraakt. Bij het eerste verzoek om een voorlopige voorziening van 28 april 2015 is ten onrechte gesteld dat het inkomen van verzoekster
€ 870,- per maand zou bedragen. Het feitelijke inkomen bedraagt volgens verzoekster, gelet op een door de accountant uitgevoerde berekening, namelijk € 723,33 aan netto alimentatie per maand, terwijl de bijstandsnorm € 962,63 bedraagt. Hierbij dienen de zorgtoeslag van
€ 50,- en de huurtoeslag van € 278,- niet te worden opgeteld. Het huidige inkomen van verzoekster valt dan ook bijna € 240,- lager uit dan de bijstandsnorm. Dit terwijl verzoekster de naheffingsaanslagen over de belastingjaren 2013 en 2014 van tezamen meer dan € 9000,- nog dient te voldoen. Ook kan verzoekster vele andere rekeningen (waaronder een negatief saldo op haar creditcard, huurbetalingen en betalingen aan haar zorgverzekeraar) niet voldoen.
4.4.
De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van een financieel spoedeisend belang bij het treffen van de door haar verzochte voorlopige voorziening. Daarbij is van belang dat verzoekster niet geheel verstoken is gebleven van inkomsten. Maandelijks ontvangt verzoekster een bedrag van
€ 723,33 aan alimentatie, aangevuld met de zorg- en huurtoeslag. Dat in de systematiek van de Participatiewet deze toeslagen niet tot de middelen worden gerekend, doet niets af aan het feit dat verzoekster over deze toeslagen kan beschikken. Bovendien geldt dat verzoekster als schuldenaar de bescherming heeft, of deze kan inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voor zover door beslaglegging of invordering het inkomen tot onder het met die voet beoogde bestaansminimum zou dalen. Voor het oordeel dat sprake is van een dusdanige noodsituatie dat het verzoek om een voorziening dient te worden toegewezen, bestaan dan ook onvoldoende aanknopingspunten.
4.5.
Verzoekster heeft bij het onderhavige verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd waarmee aannemelijk is gemaakt dat nu wel sprake is van een (ander) spoedeisend en zo zwaarwegend belang, dat als gevolg daarvan de behandeling in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.
4.6.
Uit het vorenstaande volgt dat niet is voldaan aan de in artikel 8:81 van Pro de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2015.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) C.M.A.V. van Kleef

UM