ECLI:NL:CRVB:2015:3812
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering na ontvangst erfenis zonder recht op vertrouwensbeginsel
Appellant ontving tot 31 augustus 2013 bijstand en meldde in maart 2013 een te verwachten erfenis van €25.000,-, met het verzoek deze buiten beschouwing te laten voor de bijstandsverlening. Het college vroeg om bewijsstukken en stelde een verplichting in om maandelijks inkomstenverklaringen in te leveren.
Na ontvangst van de erfenis trok het college de bijstand over de periode van 10 februari tot 31 augustus 2013 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het college hem op grond van een brief van 25 maart 2013 en het besluit van 2 mei 2013 het vertrouwen had gegeven dat de erfenis geen gevolgen zou hebben voor de bijstand.
De Raad oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat het college geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan. Het besluit van 2 mei 2013 bevatte juist een verplichting tot het inleveren van inkomstenverklaringen en maakte duidelijk dat de erfenis consequenties kon hebben. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand bevestigd.