ECLI:NL:CRVB:2012:BX3805
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding bijstandsuitkering ondanks beroep op vertrouwensbeginsel
Appellant ontving bijstand van de gemeente Veendam, waarbij een vordering van ruim €30.000,- op hem rustte die via maandelijkse inhoudingen werd terugbetaald. Appellant voerde aan dat hij op grond van een brief van 14 augustus 2006 mocht vertrouwen dat de vordering was afgeboekt en dat het college door het uitblijven van invorderingsactiviteiten niet meer tot inhouding mocht overgaan.
De Raad overwoog dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slaagt bij uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen die gerechtvaardigde verwachtingen wekken. Hoewel de brief van 14 augustus 2006 een dergelijke toezegging leek te bevatten, moest appellant redelijkerwijs weten dat deze in strijd was met een eerdere uitspraak van de Raad van 2 augustus 2005 die de vordering in stand liet.
Het lag daarom op appellant om de juistheid van de brief te verifiëren. Ook was het begrijpelijk dat het college vanwege verblijf van appellant in Australië en detentie heeft gewacht met invorderingsactiviteiten. De Raad concludeerde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Groningen die het bezwaar van appellant ongegrond verklaarde.
Uitkomst: Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en de maandelijkse inhouding op de bijstandsuitkering wordt bevestigd.