ECLI:NL:CRVB:2015:3814
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging medeterugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder dringende reden
Appellante ontving bijstand volgens de norm voor een alleenstaande, maar het college stelde vast dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met J zonder dit te melden. Hierdoor werd bijstand die aan J was verleend teruggevorderd van appellante. Na eerdere procedures stelde de rechtbank dat onvoldoende bewijs bestond voor gezamenlijke huishouding vóór 1 juli 2008, maar dat daarna wel rekening moest worden gehouden met appellante.
Het college handhaafde de terugvordering, ondanks door appellante ingediende medische verklaringen, die vals bleken. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische en financiële situatie een dringende reden vormde om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat psychische problematiek en schuldenpositie niet voldeden aan de criteria voor dringende reden, die alleen geldt bij levensbedreigende situaties of blijvend ernstig letsel.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarbij het college bevoegd was de terugvordering mede aan appellante op te leggen. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstandskosten van appellante wegens gezamenlijke huishouding zonder dringende reden.