ECLI:NL:CRVB:2015:3815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing langdurigheidstoeslag wegens onduidelijkheid woon- en leefsituatie
Appellant ontving sinds 2007 bijstand en vroeg in 2013 een langdurigheidstoeslag aan. Het college wees deze aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant gedurende de referteperiode van 48 maanden een laag inkomen had en niet beschikte over relevant vermogen. Dit was mede vanwege onduidelijkheid over zijn woon- en leefsituatie in de periode van november 2012 tot mei 2013.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat alleen het inkomen bepalend is voor de toeslag en dat hij in de betwiste periode geen inkomen had, wat hij ondersteunde met bankafschriften. De Raad oordeelde echter dat de woon- en leefsituatie wel degelijk van belang is om te bepalen of appellant voldoet aan de voorwaarden voor langdurigheidstoeslag.
De Raad stelde vast dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door geen duidelijkheid te geven over zijn verblijfplaats en woonsituatie. Hierdoor kon niet worden vastgesteld welke bijstandsnorm en toeslag van toepassing waren. Ook de bankafschriften boden onvoldoende bewijs dat het inkomen niet hoger was dan de norm. Daarom was de afwijzing van de aanvraag terecht en werd het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor een langdurigheidstoeslag wordt afgewezen vanwege onvoldoende aannemelijkheid van de woon- en leefsituatie en het inkomen.