ECLI:NL:CRVB:2015:3829
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding en onweerlegbaar rechtsvermoeden
Appellante ontving sinds eind 2011 bijstand als alleenstaande, maar na het aangaan van een gezamenlijke huishouding met P op 7 mei 2012 trok het college de bijstand in. Diverse aanvragen voor bijstand als alleenstaande werden afgewezen omdat appellante volgens het college een gezamenlijke huishouding voert en het gezamenlijke inkomen hoger is dan de bijstandsnorm.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond, omdat appellante geen wijziging in omstandigheden had aangetoond en het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding van toepassing was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voert, maar slechts tijdelijk onderdak kreeg vanwege haar situatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het eerdere besluit over de gezamenlijke huishouding onherroepelijk is en dat appellante geen nieuwe feiten heeft aangevoerd die het onweerlegbaar rechtsvermoeden kunnen doorbreken. Ook het feit dat zij op het aanvraagformulier aangaf geen partner te hebben en kamerhuurder te zijn, doet hieraan niet af. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraken en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvragen wordt bevestigd wegens gezamenlijke huishouding en onweerlegbaar rechtsvermoeden.