ECLI:NL:CRVB:2015:3836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding ondanks betwisting appellant
Appellant was sinds 2009 ingeschreven op hetzelfde adres als B, aan wie het college bijstand verleende. Het college verleende bijstand aan B als alleenstaande, maar trok deze later in en vorderde de kosten terug van appellant wegens gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat vaststond dat appellant en B een gezamenlijke huishouding voerden en dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden.
In hoger beroep betwistte appellant dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en voerde hij aan dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen. De Raad stelde dat het enkele feit van intrekking en terugvordering bij B niet automatisch betekent dat appellant ook een gezamenlijke huishouding voerde. De Raad onderzocht objectief de feiten, waaronder inschrijving, verklaringen over samenwonen, koken, boodschappen en huishoudelijke taken.
De Raad concludeerde dat appellant en B hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden en zorg voor elkaar droegen door gezamenlijke huishouding en financiële verstrengeling. De Raad verwierp het beroep op dringende redenen omdat appellant dit onvoldoende onderbouwde. De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en terugbetaling van griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en wijst het hoger beroep van appellant af.