ECLI:NL:CRVB:2015:3842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging maatregel bijstand wegens recidive niet in strijd met rechtszekerheid
Appellant en zijn partner ontvingen bijstand op grond van de WWB. Het college legde aan de partner een waarschuwing op wegens onvoldoende medewerking en later een maatregel van 30% bijstand gedurende één maand. Na herhaalde niet-naleving van afspraken legde het college een maatregel van 100% bijstand op voor de maand april 2014 wegens recidive.
Appellant stelde in hoger beroep dat het opleggen van de maatregel in dezelfde maand als de uitvoering in strijd was met de beleidsvoorschriften en het rechtszekerheidsbeginsel, omdat hij financieel geen rekening kon houden met de maatregel. De Raad oordeelde dat appellant en zijn partner voldoende waren gewaarschuwd en op de hoogte waren van de mogelijke maatregel, en dat de betaling aan het einde van de maand plaatsvond, zodat er geen sprake was van schending van rechtszekerheid.
Ook de persoonlijke omstandigheden van appellant, zoals het hebben van een gezin met kinderen, gaven geen aanleiding tot matiging of afzien van de maatregel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de oplegging van een maatregel van 100% korting op bijstand wegens recidive en verklaart het hoger beroep ongegrond.