Uitspraak
19 december 2013, 13/2122 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 1997 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam besloot de bijstand over de periode van 20 september 2012 tot 20 oktober 2012 in te trekken omdat appellante langer dan de toegestane vier weken in het buitenland verbleef. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar verblijf in Turkije noodzakelijk was omdat zij de enige geschikte stamceldonor was voor haar broer, die daar behandeld werd voor acute lymfoblastische leukemie. De Raad stelde vast dat er geen objectief verifieerbare gegevens waren die deze noodzaak bevestigden. De enkele stelling van appellante volstond niet om aannemelijk te maken dat haar aanwezigheid noodzakelijk was.
De Raad hoefde daardoor niet te beoordelen of deze noodzaak een zeer dringende reden vormde om bijstand toe te kennen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens verblijf in het buitenland zonder objectief aantoonbare dringende reden wordt bevestigd.