Uitspraak
5 februari 2014, 13/7695 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds november 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een melding dat appellant eigenaar zou zijn van een restaurant, heeft de gemeente Den Haag samen met de politie onderzoek verricht. Uit dossieronderzoek, waarnemingen en verklaringen bleek dat appellant sinds december 2012 regelmatig werkzaamheden in het restaurant verrichtte. Het college heeft daarom bij besluit van mei 2013 de bijstand ingetrokken en de kosten teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het college aannemelijk had gemaakt dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte en zijn inlichtingenverplichting had geschonden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij geen werkzaamheden verrichtte, slechts socialiseerde en geen inkomsten had ontvangen. Ook stelde hij dat hij inmiddels in loondienst was bij het restaurant.
De Raad oordeelde dat de verklaringen en waarnemingen van appellant zelf en derden voldoende bewijs leverden van werkzaamheden. De door appellant overgelegde verklaringen waren tegenstrijdig en onvoldoende onderbouwd. Het ontbreken van loon voor de werkzaamheden doet niet af aan het feit dat het om op geld waardeerbare werkzaamheden gaat. Omdat appellant zijn inlichtingenverplichting schond en niet aannemelijk maakte recht op bijstand te hebben, werd het hoger beroep afgewezen en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd wegens verzwegen werkzaamheden in het restaurant.