ECLI:NL:CRVB:2015:3871

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 november 2015
Publicatiedatum
6 november 2015
Zaaknummer
14/1412 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 4 WmoArt. 6:19 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit WMO over bedverschoning na nadere motivering

De zaak betreft een hoger beroep tegen een besluit van ROGplus over de frequentie van het verschonen van het bed bij een zelfstandig wonende appellant. De Raad had eerder een tussenuitspraak gedaan waarin werd geoordeeld dat de motivering van het besluit onvoldoende was.

ROGplus heeft vervolgens onderzoek gedaan en een nadere motivering gegeven, gebaseerd op een advies van de GGD Rotterdam Rijnmond, waarin werd geconcludeerd dat één keer per twee weken verschonen medisch-hygiënisch aanvaardbaar is, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Appellant voerde verzet tegen deze norm, maar kon geen bewijs leveren van afwijkende medische omstandigheden.

De Raad oordeelt dat met deze nadere motivering de gebreken in het oorspronkelijke besluit zijn hersteld. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd wegens strijd met de Awb, maar de rechtsgevolgen blijven gehandhaafd. ROGplus heeft voldaan aan de compensatieverplichting uit de Wet maatschappelijke ondersteuning door toekenning van 4 uur en 30 minuten hulp per week.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, en het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed.

Uitkomst: Het besluit over bedverschoning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand na nadere onderbouwing.

Uitspraak

14/1412 WMO
Datum uitspraak: 5 november 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2014, 13/2974 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het gemeenschappelijk orgaan ROGplus Nieuwe Waterweg Noord (ROGplus)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 29 april 2015 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2015:1366), waarbij ROGplus is opgedragen de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in de motivering van het bestreden besluit te herstellen.
ROGplus heeft bij brief van 15 juni 2015 kennis gegeven van de wijze waarop het aan de tussenuitspraak uitvoering heeft gegeven.
Appellant heeft hierop bij brief van 13 september 2015 gereageerd.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming is uitgegaan. Hieraan voegt hij het volgende toe.
2. ROGplus heeft zich in een bij de brief van 15 juni 2015 overgelegd gepretendeerd besluit van 11 juni 2015 op het standpunt gesteld dat uit onderzoek is gebleken dat het één keer per twee weken verschonen van het bed in het algemeen aanvaardbaar wordt geacht en dat bij appellant geen sprake is van medische of bijzondere individuele omstandigheden om hiervan af te wijken.
3. Appellant heeft in zijn brief van 13 september 2015 te kennen gegeven zich hierin niet te kunnen vinden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De als besluit gepresenteerde brief van 11 juni 2015 bevat uitsluitend een nadere motivering van het bestreden besluit van 3 april 2013 en is voor het overige niet meer dan een herhaling van dat besluit. Dit betekent dat die brief niet op zelfstandig rechtsgevolg is gericht en voorts dat geen sprake is van een besluit dat op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb in de beoordeling van het beroep wordt betrokken. De Raad zal zijn oordeel richten op de vraag of met de nadere motivering de gebreken van het bestreden besluit zijn hersteld.
4.2.
In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat ROGplus niet aan de hand van objectieve normen en criteria inzichtelijk heeft gemaakt waarop het in de normtijden in de Beleidsregels gehanteerde uitgangspunt is gebaseerd dat in gevallen als die van appellant kan worden volstaan met het één keer per twee weken verschonen van het bed.
4.3.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft ROGplus onderzoek gedaan naar de uit een oogpunt van hygiëne noodzakelijke frequentie van het verschonen van het bed bij zelfstandig wonende personen. In dat kader heeft ROGplus contact opgenomen met de GGD Rotterdam Rijnmond team Hygiëne & Indicatie (GGD). Uit een e-mail van 19 mei 2015 van de GGD aan ROGplus blijkt dat de GGD geen richtlijn of norm heeft vastgesteld over de frequentie van het verschonen van het bed. De GGD heeft de frequentie besproken in een intern teamoverleg van artsen. De conclusie hiervan is dat, behoudens contra-indicaties zoals incontinentie of overmatige transpiratie, een frequentie van minimaal één keer per twee weken verschonen van het bed op medisch-hygiënische gronden (nog) aanvaardbaar wordt geacht. Onder verwijzing naar het advies van de GGD heeft ROGplus zich op het standpunt gesteld dat in het geval van appellant kan worden volstaan met het één keer per twee weken verschonen van het bed, omdat geen sprake is van bijzondere medische of individuele omstandigheden bij appellant.
4.4.
Appellant heeft geen stukken overgelegd die maken dat zou moeten worden getwijfeld aan het advies van de GGD of waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van bijzondere medische of individuele omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat moet worden afgeweken van de normtijden in de Beleidsregels.
4.5.
Dit betekent dat ROGplus met het aanvullende besluit van 11 juni 2015 een afdoende onderbouwing heeft gegeven voor het in de normtijden vervatte uitgangspunt dat het bed één maal in de twee weken wordt verschoond en dat in het geval van appellant hiermee kan worden volstaan. Met de toekenning van 4 uur en 30 minuten hulp bij het huishouden per week aan appellant heeft ROGplus dan ook voldaan aan de op hem rustende compensatieverplichting als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet maatschappelijke ondersteuning.
4.6.
Op grond van het overwogene in de tussenuitspraak, bezien in samenhang met het vorenstaande, komt de Raad tot het volgende oordeel. Uit de tussenuitspraak volgt dat het bestreden besluit gebrekkig is en niet berust op een deugdelijke motivering. Daarom dient dit besluit wegens strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd. Uit 4.5 en 4.6 volgt dat de gebreken door het nadere onderzoek en de nadere motivering zijn hersteld en dat het bestreden besluit daarmee is komen te berusten op een voldoende grondslag. De Raad zal de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 april 2013 gegrond;
- vernietigt het besluit van 3 april 2013 en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde
besluit in stand blijven;
- bepaalt dat ROGplus aan appellant het in hoger beroep en in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2015.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) I. Mehagnoul

AP