ECLI:NL:CRVB:2015:3882
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- H. van Leeuwen
- H. Koper
- Rechtspraak.nl
Kwijtschelding resterende vordering UWV wegens bijzondere omstandigheden en vergevorderde leeftijd
Appellante verzocht het UWV om kwijtschelding van de resterende schuld voortvloeiend uit terugvordering van WAO-uitkeringen. Het UWV wees dit verzoek af op grond van de Beleidsregel terug- en invordering, omdat appellante niet aan de voorwaarden voldeed, waaronder het voldoen van ten minste de helft van de vordering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat zij vanwege haar vergevorderde leeftijd, het feit dat de schuld is ontstaan door haar overleden echtgenoot en haar blijvende betalingsverplichting, bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die kwijtschelding rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat het UWV door geen gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid heeft gehandeld in strijd met artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Gezien de sociale en financiële omstandigheden van appellante en de lage maandelijkse aflossing, staan de gevolgen van terugvordering niet in verhouding tot de doelen van de Beleidsregel. De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere besluit van het UWV en wees het verzoek om kwijtschelding toe.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het verzoek om kwijtschelding van de resterende vordering wordt toegewezen en de vordering wordt volledig kwijtgescholden.