ECLI:NL:CRVB:2015:399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1988 een nabestaandenuitkering die in 1996 werd omgezet naar een Anw-uitkering. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) voerde een onderzoek uit naar de leefsituatie van appellant, leidend tot een huisbezoek in juni 2012. Op basis van dit onderzoek trok de Svb per 1 mei 2011 de uitkering in wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met een ander persoon.
De rechtbank Gelderland verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep. Appellant betwistte dat de gezamenlijke huishouding al in april 2011 was begonnen en stelde dat dit pas in april 2012 het geval was, onderbouwd met verklaringen en bewijsstukken.
De Raad overwoog dat het bestuursorgaan de last heeft om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan. De Raad hechtte doorslaggevende waarde aan de aanvankelijk door appellant ondertekende verklaring en checklist, waarin werd aangegeven dat de gezamenlijke huishouding vanaf april 2011 bestond. De latere betwisting en aanvullende bewijsstukken boden onvoldoende aanleiding om hiervan af te wijken.
De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank terecht was en bevestigde deze. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de nabestaandenuitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding vanaf april 2011.