ECLI:NL:CRVB:2015:4010
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was administratief medewerkster en meldde zich ziek vanwege hart- en psychische klachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een WGA-uitkering toe, maar stelde bij herbeoordeling vast dat zij vanaf 8 augustus 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde verdere uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de psychische klachten juist waren vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen en overhandigde een recent psychiatrisch rapport. De Raad overwoog dat het aan het UWV is om medische feiten te leveren en dat rapporten van verzekeringsartsen, indien zorgvuldig en consistent, een bijzondere waarde hebben. Appellante kon niet aannemelijk maken dat deze rapporten onzorgvuldig of onjuist waren.
De Raad concludeerde dat de door appellante aangevoerde gronden in wezen een herhaling waren van eerdere bezwaren zonder nieuwe aanknopingspunten. Het psychiatrisch rapport bevestigde een paniekstoornis met agorafobie, maar de klachten waren slechts gedeeltelijk objectiveerbaar en niet zodanig ernstig dat zij een beperking in concentratie veroorzaakten. De arbeidskundige onderbouwing van het besluit was deugdelijk. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd.