ECLI:NL:CRVB:2015:405
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens niet-voltooide wachttijd
Appellant, werkzaam als boekhoudkundig medewerker, vroeg een WAO-uitkering aan met terugwerkende kracht naar 2000, omdat hij stelde dat zijn klachten toen al bestonden. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant niet kon aantonen dat hij 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest in de periode 2000 tot eind 2004.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat er onvoldoende medische gegevens waren om de vereiste wachttijd te bewijzen. De Raad wees erop dat bij late aanvragen het risico van ontbrekende gegevens voor rekening van de betrokkene komt.
Appellant voerde aan dat zijn psychische problematiek het aanleveren van medische gegevens bemoeilijkte en dat eerdere arbodiensten hun dossiers niet hadden bewaard, maar dit leidde niet tot een ander oordeel. De Raad vond de medische rapporten overtuigend en concludeerde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor een WAO-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het niet aantonen van een onafgebroken arbeidsongeschiktheid van 52 weken.