Uitspraak
28 mei 2014, 13/4982 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft op 10 juni 2013 een bijstandsaanvraag ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Purmerend. Tijdens het intakegesprek en nader onderzoek gaf appellant wisselende en onvolledige informatie over zijn woon- en verblijfplaats, waaronder meerdere adressen in verschillende plaatsen.
De gemeente stelde een onderzoek in en constateerde dat appellant niet op het opgegeven hoofdadres verbleef, maar regelmatig op andere adressen, waaronder dat van zijn ex-partner. Appellant kon geen duidelijkheid geven over zijn verblijfadres in een andere plaats, ondanks dat hij daar een sleutel had. Het college wees de aanvraag af wegens het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand door tegenstrijdige en onvolledige informatie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en in hoger beroep voerde appellant aan dat taalproblemen de oorzaak waren van de onduidelijkheid. De Raad oordeelde dat appellant voldoende Nederlands sprak en begreep, en dat hij de wettelijke inlichtingenplicht had geschonden. Hierdoor bleef zijn woonsituatie onduidelijk en kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de afwijzing bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens onduidelijke woonsituatie en schending van de inlichtingenplicht.