ECLI:NL:CRVB:2015:4110
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- G. van Zeben - de Vries
- P. Vrolijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante is uitgevallen voor haar werk als productiemedewerkster vanwege diverse lichamelijke klachten. Het UWV heeft op 4 juni 2013 geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit besluit werd bij bezwaar en beroep gehandhaafd. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de verzekeringsgeneeskundige rapporten zorgvuldig en volledig waren en dat appellante met de vastgestelde beperkingen de geselecteerde functies kon vervullen.
In hoger beroep betoogde appellante dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische aandoeningen en dat het UWV ten onrechte haar verzoek om een psychiatrisch onderzoek had afgewezen. De Centrale Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen zowel lichamelijk als psychisch onderzoek hadden verricht en geen aanwijzingen voor ernstige psychopathologie hadden gevonden. De medische beperkingen waren adequaat vastgesteld en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 augustus 2013 gaf een juist beeld van haar belastbaarheid.
De Raad vond geen reden om af te wijken van het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen medisch geschikt zijn voor appellante. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WIA-uitkering bevestigd.