ECLI:NL:CRVB:2015:4115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toename beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellante meldde zich in 2005 ziek met diverse lichamelijke klachten. Het UWV stelde in 2006 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Na een heronderzoek in 2013 stelde het UWV opnieuw vast dat appellante geen recht had op een WIA-uitkering, omdat de toegenomen beperkingen voortkwamen uit andere gezondheidsklachten dan in 2006.
Appellante voerde aan dat zij ook in 2006 al rugklachten had die toen abusievelijk niet waren meegenomen, en dat deze klachten sinds 2011 ernstig waren toegenomen. De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsartsen overtuigend hadden gemotiveerd dat de beperkingen in 2011 niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortkwamen als die tijdens de wachttijd.
De Raad verwees naar de medische stukken uit 2005 en 2006 waaruit bleek dat rugklachten bekend waren maar toen niet als oorzaak van arbeidsongeschiktheid werden aangemerkt. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.