ECLI:NL:CRVB:2004:AQ1967
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toename arbeidsongeschiktheid en herziening WAO- en Ziektewetuitkering
Appellant, met nek- en schouderklachten na een ongeval in 1996, ontving sinds 1997 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. Na een tijdelijke verhoging tot 80-100% werd de uitkering in 1999 weer vastgesteld op 35-45%. In 2001 weigerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de WAO-uitkering te verhogen ondanks een toename van arbeidsongeschiktheid per 13 juni 2000, omdat deze niet uit dezelfde oorzaak zou voortkomen.
Appellant voerde aan dat de toename verband hield met reeds bestaande urologische klachten, maar de Raad oordeelde dat deze klachten bij eerdere beoordelingen geen beperkingen opleverden en dus niet als oorzaak konden gelden. Daarnaast werd de ontzegging van de Ziektewetuitkering per 3 mei 2001 gehandhaafd, omdat appellant niet meer ongeschikt werd geacht voor de hem voorgehouden functies.
De Raad baseerde zich op medische rapporten, waaronder die van een neuroloog en orthopedisch chirurg, die al bekend waren bij de bezwaarverzekeringsarts. Deze arts concludeerde dat er geen aanleiding was voor zwaardere beperkingen. De Raad vond geen grond voor nader medisch onderzoek en oordeelde dat de besluiten van het Uwv deugdelijke gronden hadden en handhaafde deze.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering tot verhoging van de WAO-uitkering en handhaaft de ontzegging van de Ziektewetuitkering.