ECLI:NL:CRVB:2015:4123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor WIA-functies
Appellante, laatst werkzaam als kapster, meldde zich ziek met diverse klachten en ontving aanvankelijk een WW-uitkering. Na onderzoek stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op een WIA-uitkering. Later werd haar Ziektewet-uitkering ingetrokken omdat zij geschikt werd bevonden voor ten minste één van de WIA-voorbeeldfuncties.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, omdat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellante geen belemmering vormden om de functies te verrichten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar klachten en arbeidskundige bezwaren.
De Raad oordeelde dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling uit 2012 niet ter discussie staat en dat de geschiktheid op 29 mei 2013 centraal staat. Het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep werd als zorgvuldig en overtuigend beoordeeld. Appellante bracht geen medische onderbouwing die het oordeel van het UWV kon weerleggen. De subjectieve klachtenbeleving van appellante is onvoldoende om het oordeel te betwijfelen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor ten minste één WIA-voorbeeldfunctie.