ECLI:NL:CRVB:2015:4131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toekenning éénouderpensioen op grond van AOW bij afwezigheid kinderbijslag
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de Sociale verzekeringsbank (Svb) die haar bezwaar tegen de toekenning van een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ongegrond verklaarde.
De kern van het geschil betreft de toekenning van een zogenaamd éénouderpensioen, waarvoor volgens Nederlands nationaal recht vereist is dat de aanvrager kinderbijslag ontvangt voor het kind. Appellante ontving echter geen kinderbijslag voor haar kleinkind, wat de rechtbank als reden zag om het beroep ongegrond te verklaren.
Appellante voerde aan dat het verdrag tussen Nederland en de Filippijnen de uitbetaling van een uitkering mogelijk maakt en dat de moeder van het kind in het verleden kinderbijslag heeft ontvangen. De Raad oordeelde echter dat deze argumenten onvoldoende zijn om af te wijken van de nationale voorwaarde dat appellante zelf kinderbijslag moet ontvangen.
Daarnaast werd door de Raad geoordeeld dat het ontbreken van telefonisch contact tijdens het bezwaarproces, veroorzaakt door verbindingsproblemen, geen reden was om het besluit te vernietigen. Ook was er geen sprake van een dwangsom omdat appellante de Svb niet in gebreke had gesteld wegens overschrijding van de beslistermijn.
Uiteindelijk bevestigde de Centrale Raad van Beroep de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.