ECLI:NL:CRVB:2015:4132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens verdiencapaciteit en juiste hoorzittingprocedure
Appellante, geboren in 1988, vroeg een Wajong-uitkering aan wegens chronische vermoeidheid en epileptische aanvallen. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij naar oordeel van het UWV in staat was minimaal 75% van het minimumjeugdloon te verdienen op haar zeventiende/achttiende jaar en op het moment van het einde van haar studie.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond, met de overweging dat het UWV appellante voldoende gelegenheid had gegeven om haar bezwaar toe te lichten en dat de beperkingen van appellante juist waren ingeschat. Appellante stelde in hoger beroep dat de hoorplicht was geschonden, omdat zij niet duidelijk was geïnformeerd over haar hoorrechten en zij bedenktijd had gevraagd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld door meerdere pogingen te doen contact te leggen en een schriftelijke oproep te sturen. Appellante had niet gereageerd en ontkende de ontvangst van de brief niet. De Raad vond geen aanwijzingen dat het UWV haar had afgeraden de hoorzitting bij te wonen.
De medische situatie van appellante, inclusief de latere diagnose fibromyalgie, was bekend en meegewogen. Er was onvoldoende bewijs dat deze diagnose tot extra beperkingen leidde die het oordeel over haar verdiencapaciteit zouden wijzigen.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.