Uitspraak
27 februari 2014, 13/995 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende op 3 juli 2013 een aanvraag in bij het college van burgemeester en wethouders van Groningen voor bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ter hoogte van € 100,80 voor de kosten van een rijbewijs. Het college wees deze aanvraag bij besluit van 24 juli 2013 af, met de motivering dat de kosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Na bezwaar handhaafde het college dit besluit bij besluit van 6 september 2013.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat het college voorafgaand aan de beslissing op bezwaar geen advies had ingewonnen bij de bezwaarschriftencommissie, zoals voorgeschreven in de gemeentelijke regeling. Tevens wilde appellant vaststellen dat het college hem onheus had bejegend door deze omissie, wat hij als een formele fout beschouwde.
De Raad stelde ambtshalve de vraag of appellant voldoende procesbelang had. Tijdens de zitting gaf de gemachtigde van appellant aan dat appellant geen materieel belang meer had omdat de kosten van het rijbewijs inmiddels op andere wijze waren gedekt. Het principiële belang dat appellant stelde was onvoldoende om procesbelang aan te nemen. Ook het verzoek tot vergoeding van het griffierecht werd afgewezen omdat daarvoor geen zelfstandig belang bestond.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en wees het verzoek tot vergoeding van griffierecht af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende procesbelang.