ECLI:NL:CRVB:2015:415
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- F. Hoogendijk
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding bij intrekking bijstand op grond van WWB
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en huurde een kamer aan [Y.], die bij hem woonde. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok de bijstand in omdat appellant en [Y.] een gezamenlijke huishouding voerden, wat appellant betwistte.
De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen dit oordeel en voerde aan dat er slechts een zakelijke relatie was en dat het rapport van het huisbezoek onjuist was.
De Raad oordeelde dat appellant en [Y.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat sprake was van wederzijdse zorg, waaronder financiële verstrengeling die verder ging dan alleen het delen van woonlasten. De Raad vond dat de feiten en omstandigheden wezen op een gezamenlijke huishouding en verwierp het betoog van appellant over een louter zakelijke relatie. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant en [Y.] een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor de intrekking van de bijstand terecht was.