ECLI:NL:CRVB:2015:4165
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid als logistiek medewerker
Appellant ontving een Ziektewetuitkering die het UWV op 17 juni 2013 beëindigde op grond van een medisch rapport dat stelde dat hij in staat was tot arbeid. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn belastbaarheid onjuist was ingeschat vanwege knie- en psychische klachten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en het besluit voldoende gemotiveerd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn lichamelijke en psychische beperkingen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts had appellant onderzocht, dossiers bestudeerd en informatie van behandelaars betrokken. De Raad stelde vast dat de knieklachten niet waren verslechterd en dat medicijngebruik werkhervatting niet in de weg stond.
De Raad vond de functie logistiek medewerker passend vanwege de afwisseling tussen zitten, staan en lopen. Ook het psychische rapport van een psychiater in opleiding werd niet relevant geacht voor de datum van beoordeling, mede omdat bekend was dat appellant onder behandeling was bij een zenuwarts met een matige depressieve stoornis. De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant wordt terecht beëindigd omdat hij in staat is de functie van logistiek medewerker te verrichten.