ECLI:NL:CRVB:2015:417
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- F. Hoogendijk
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens schending inlichtingenverplichting zonder dringende redenen
Appellant ontving bijstand sinds 2009 en werd geconfronteerd met een terugvordering van €17.686,21 wegens het niet opgeven van aanzienlijke bijschrijvingen en kasstortingen op zijn bankrekening, alsmede inschrijvingen van bedrijven op zijn naam. Het college legde een maatregel op waarbij de bijstand met 100% werd verlaagd gedurende een maand vanwege de schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het college handelde in strijd met de onschuldpresumptie en dat de maatregel onterecht was opgelegd zonder dat het eerdere besluit onherroepelijk was. De Raad oordeelde dat het college voorafgaand aan het opleggen van de maatregel mocht beoordelen of aan de voorwaarden was voldaan, zonder te wachten op een onherroepelijk besluit.
Verder stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat er verwijtbaarheid was en dat er geen dringende redenen waren om van de maatregel af te zien. De Raad bevestigde dat de schending van de inlichtingenverplichting verwijtbaar was gezien de omvang en frequentie van de niet opgegeven bedragen en dat de door appellant aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen vormden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% gedurende een maand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.