ECLI:NL:CRVB:2015:4190
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Hillen
- J.F. Bandringa
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering bijstand na schadevergoeding voor huishoudelijke hulp
Appellanten ontvingen bijstand na een auto-ongeluk in 2005. Het college stelde vast dat zij tussen 2005 en 2011 schadevergoedingen van Achmea ontvingen, in totaal €150.000,-. Het college trok de bijstand in en vorderde terug over de periode 17 februari tot 31 oktober 2011, omdat appellanten niet hadden gemeld dat zij voorschotten van schadevergoeding ontvingen en hun vermogen het toegestane vrij te laten bedrag overschreed.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep bleef alleen de vraag over of het college het deel van €60.000,- voor huishoudelijke hulp terecht als vermogen had aangemerkt. De Raad overwoog dat het college een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen van het vrij te laten deel van vergoedingen.
De Raad oordeelde dat appellanten geen huishoudelijke hulp hadden ontvangen of daarvoor geld hadden gereserveerd, en dat het college de vergoeding terecht volledig tot de middelen rekende. Appellanten besteedden het geld aan een auto en woningverbetering, wat illustreert dat er geen noodzaak was voor vrijlating. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand omdat de vergoeding voor huishoudelijke hulp volledig als vermogen werd aangemerkt.