ECLI:NL:CRVB:2015:4196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij met ingang van 12 december 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep wordt dit oordeel bevestigd.
De Raad heeft het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat ten grondslag ligt aan het besluit, als juist beoordeeld. Er is geen medisch bewijs aangevoerd dat de beperkingen van appellant groter zijn dan die vermeld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De medische rapporten geven een deugdelijke grondslag voor het oordeel dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is.
Appellant voerde aan dat hij vanwege pijnklachten en psychische problemen niet in staat is om de voorbeeldfuncties te vervullen, maar deze arbeidskundige gronden zijn onvoldoende onderbouwd. Het UWV heeft bovendien een voorbeeldfunctie laten vervallen die niet medisch passend was, maar er blijven voldoende passende functies over.
Gelet op deze omstandigheden is het hoger beroep ongegrond verklaard en wordt de eerdere uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.