ECLI:NL:CRVB:2015:4283

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2015
Publicatiedatum
2 december 2015
Zaaknummer
14/6500 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a Ziektewet
Verwijzingen
3 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling causale relatie psychische klachten en zwangerschap voor ziekengeld

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV dat zij vanaf 8 december 2013 geen beperkingen meer had als gevolg van zwangerschap of bevalling. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond.

Appellante stelde in hoger beroep dat er wel een rechtstreeks causaal verband bestond tussen haar psychische klachten na de tweede zwangerschap en die zwangerschap, mede vanwege de traumatische ervaring van het overlijden van haar kindje bij de eerste zwangerschap.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 29a, vierde lid, van de Ziektewet vereist is dat de ongeschiktheid tot arbeid direct veroorzaakt wordt door de bevalling of zwangerschap. Uit de medische rapporten bleek dat de klachten voortvloeiden uit traumatische gebeurtenissen tijdens de eerste zwangerschap en niet uit de tweede. De Raad onderschreef daarmee het oordeel van de rechtbank en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het beroep van appellante wordt afgewezen wegens ontbreken van een direct causaal verband met de tweede zwangerschap.

Uitspraak

14/6500 ZW
Datum uitspraak: 2 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
16 oktober 2014, 14/1956 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2015. Appellante is, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Nieuwburg.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 13 februari 2014 heeft het Uwv aan appellante bericht dat zij vanaf 8 december 2013 geen beperkingen meer heeft als gevolg van zwangerschap of bevalling. Aan dat besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van 13 februari 2014 ten grondslag.
1.2.
Bij besluit van 8 april 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 februari 2014 ongegrond verklaard.
2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft dat beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de psychische klachten die appellante tijdens haar tweede zwangerschap ontwikkeld heeft voortvloeien uit de traumatische gebeurtenissen tijdens de eerste zwangerschap. Er is geen sprake van een rechtstreeks causaal verband tussen de na de tweede zwangerschap nog bestaande klachten en die tweede zwangerschap.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in de bezwaarfase en in eerste aanleg. Appellante is van oordeel dat er wel degelijk een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de na haar tweede zwangerschap bestaande klachten en die zwangerschap. Bij de eerste zwangerschap van appellante is haar kindje na 34 weken overleden. Dit heeft ertoe geleid dat appellante zich tijdens en na de tweede zwangerschap zorgen maakte over de gezondheid van het kindje. Deze klachten en beperkingen vonden daarom hun oorzaak in de tweede zwangerschap, zodat er wel degelijk een direct causaal verband is met die zwangerschap.
3.2.
De Raad komt tot het volgende oordeel.
3.3.
Ingevolge artikel 29a, vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft - kort weergegeven - recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon de vrouwelijke verzekerde, indien zij aansluitend op het recht op uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg in verband met bevalling ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. Vereist is daarom een direct causaal verband met de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. In eerdergenoemd rapport van de verzekeringsarts van 13 februari 2014, en de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 april 2014 en 16 juli 2014 is voldoende beargumenteerd dat de oorzaak van de psychische klachten niet ligt in de tweede zwangerschap, maar in de traumatische ervaringen van appellante tijdens haar eerste zwangerschap. In feite erkent appellante dit zelf ook, nu zij te kennen heeft gegeven dat de klachten voortvloeien uit de gebeurtenissen bij de eerste zwangerschap. Er is dus geen sprake van een direct causaal verband met de laatste zwangerschap. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid worden dan ook onderschreven, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en H.C.P. Venema en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) I. Mehagnoul

RH