ECLI:NL:CRVB:2015:432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante is sinds een verkeersongeval in 2008 arbeidsongeschikt en heeft in 2010 een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid met ingang van 5 mei 2011 minder dan 35% bedraagt, waardoor zij niet in aanmerking komt voor een uitkering. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en later ook door de rechtbank.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar klachten en beperkingen aanzienlijk zijn toegenomen en dat zij slechts deeltijdwerk kan verrichten. Zij overlegde aanvullende medische rapporten en een verslag van haar werkgever. Het UWV handhaafde echter haar standpunt op basis van zorgvuldig medisch onderzoek, waaronder een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld door verzekeringsartsen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er geen sprake is van een duidelijke somatische of psychische oorzaak die leidt tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De medische rapporten van appellante bieden geen aanleiding om het oordeel van het UWV te wijzigen. Ook het verslag van de werkgever en andere stukken kunnen het medisch oordeel niet aantasten. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door B.M. van Dun en uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.