Uitspraak
30 september 2013, 13/411 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als schoonmaker, viel uit wegens voetklachten en ontving een WIA-uitkering die werd beëindigd omdat hij geschikt werd geacht voor andere functies. Na een periode van Ziektewetuitkering beëindigde het UWV deze per 7 december 2012 op grond van geschiktheid voor WIA-functies. De rechtbank Limburg oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant zijn arbeid kon verrichten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV ten onrechte aannam dat hij kon traplopen en dat zijn beperkingen onvoldoende werden meegewogen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief beoordeling door verzekeringsartsen en een orthopedisch chirurg. Appellant had geen nieuwe medische gegevens overgelegd die zijn beperkingen zouden aantonen.
De Raad stelde vast dat appellant ten minste 15 minuten achter elkaar kan lopen, wat voldoende is voor de geselecteerde functies die geen traplopen vereisen. Ook werd rekening gehouden met het gebruik van aangepaste schoenen. De functie van wikkelaar werd passend geacht, ondanks bezwaren over veiligheidsschoenen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering wordt beëindigd omdat appellant geschikt wordt geacht voor ten minste één van de in het kader van de WIA geselecteerde functies.