ECLI:NL:CRVB:2015:433
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontzegging WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis
Appellant heeft na het faillissement van zijn werkgever een faillissementsuitkering en een WW-uitkering aangevraagd. Na een langdurige procedure werd vastgesteld dat appellant recht had op een faillissementsuitkering, maar de aanvraag voor de WW-uitkering werd niet tijdig behandeld. Het UWV stelde de eerste werkloosheidsdag vast op 22 september 1999 en weigerde de WW-uitkering omdat appellant niet voldeed aan de referte-eis.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de eerste werkloosheidsdag onjuist was vastgesteld en dat zijn laatste werkdag 28 januari 1997 was, waardoor hij wel aan de referte-eis zou voldoen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant tot 22 september 1999 aanspraak had op onverminderde loonbetaling en dus niet werkloos was in de zin van de WW.
Daarom was de vaststelling van de eerste werkloosheidsdag door het UWV juist. De Raad verwierp de overige stellingen van appellant en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet voldoet aan de referte-eis en ontzegt de WW-uitkering met ingang van 22 september 1999.