Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Appellante staat vanaf
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving studiefinanciering op basis van de norm voor uitwonende studenten, terwijl zij volgens de minister niet daadwerkelijk woonde op het adres waar zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) stond ingeschreven.
Na een huisbezoek door controleurs, waarbij weinig persoonlijke bezittingen van appellante werden aangetroffen en geen eigen slaapplek werd gevonden, stelde de minister dat appellante niet op het gba-adres woonde. De studiefinanciering werd daarop herzien naar de norm voor thuiswonenden en het te veel betaalde bedrag werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de minister voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellante niet woonde op het gba-adres. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de controleurs niet alle persoonlijke spullen hadden gezien en dat haar situatie afweek van een standaard studentenkamer.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond dat de minister aan de bewijslast had voldaan. De Raad oordeelde dat het ontbreken van persoonlijke spullen en een eigen slaapplek op het gba-adres voldoende reden was om te concluderen dat appellante daar niet woonde. De bezwaren van appellante boden geen reden tot twijfel aan deze conclusie.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees de vordering van appellante af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening van studiefinanciering wordt bevestigd.