De zaak betreft een hoger beroep tegen het besluit van het UWV van 3 januari 2013 waarin werd vastgesteld dat appellante geen beperking meer had op onderdeel 1.9.3 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), betreffende toezicht en begeleiding bij werk. In een eerdere tussenuitspraak had de Raad geoordeeld dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was vanwege het ontbreken van een deugdelijke medische onderbouwing.
Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft het UWV een aanvullend rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep laten opstellen, waarin nader werd toegelicht waarom de beperking niet langer van toepassing was. Appellante betwistte dat dit rapport voldoende was om het besluit te motiveren.
De Raad oordeelt dat het aanvullende rapport en de reactie van het UWV op de zienswijze van appellante voldoen aan de opdracht uit de tussenuitspraak. Het rapport toont aan dat de belastbaarheid van appellante was verbeterd en dat de zorg voor haar zoon geen reden was om de beperking te handhaven. Appellante heeft haar standpunt onvoldoende onderbouwd met medische gegevens.
Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.