Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:4461

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2015
Publicatiedatum
10 december 2015
Zaaknummer
13/4641 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over arbeidsongeschiktheid zonder wijziging rechtsgevolgen

De zaak betreft een hoger beroep tegen het besluit van het UWV van 3 januari 2013 waarin werd vastgesteld dat appellante geen beperking meer had op onderdeel 1.9.3 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), betreffende toezicht en begeleiding bij werk. In een eerdere tussenuitspraak had de Raad geoordeeld dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was vanwege het ontbreken van een deugdelijke medische onderbouwing.

Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft het UWV een aanvullend rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep laten opstellen, waarin nader werd toegelicht waarom de beperking niet langer van toepassing was. Appellante betwistte dat dit rapport voldoende was om het besluit te motiveren.

De Raad oordeelt dat het aanvullende rapport en de reactie van het UWV op de zienswijze van appellante voldoen aan de opdracht uit de tussenuitspraak. Het rapport toont aan dat de belastbaarheid van appellante was verbeterd en dat de zorg voor haar zoon geen reden was om de beperking te handhaven. Appellante heeft haar standpunt onvoldoende onderbouwd met medische gegevens.

Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd, het beroep wordt gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.

Uitspraak

13/4641 WIA
Datum uitspraak: 27 november 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 juli 2013, 13/1111 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 27 maart 2015 een tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2015:1096) gedaan.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 mei 2015 laten opstellen.
De gemachtigde van appellante, mr. M.M. van de Wijnckel, advocaat, heeft hierop zijn zienswijze ingediend.
Hierna hebben partijen over en weer op elkaars standpunt gereageerd.
Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.
1.2.
In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat het besluit van 3 januari 2013 (bestreden besluit) onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit ontbeert immers een deugdelijke medische grondslag omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellante per 6 november 2012 niet langer een beperking op aspect 1.9.3 ‘cliënt is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldig feedback) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd’ in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is opgenomen. De Raad acht de, niet nader onderbouwde, verwijzing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar de zorg van appellante voor haar zoon daarvoor onvoldoende.
1.3.
Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil werd aanleiding gezien om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet, het Uwv opdracht te geven het gesignaleerde gebrek te herstellen.
2.1.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op
12 mei 2015 nader gerapporteerd. Hiermee is naar de mening van het Uwv het in de genoemde tussenuitspraak door de Raad geconstateerde gebrek in het bestreden besluit hersteld en is dit besluit voldoende gemotiveerd.
2.2.
Appellante heeft aangevoerd dat het rapport van 12 mei 2015 onvoldoende motivering biedt voor de conclusie dat er op de datum in geding geen noodzaak meer was tot rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Beoordeeld dient te worden of het bestreden besluit gelet op de nadere onderbouwing daarvan alsnog deugdelijk is gemotiveerd.
3.2.
De Raad is van oordeel dat het Uwv met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 mei 2015 en de reactie op de zienswijze van appellante heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Daartoe wordt het volgende overwogen.
3.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in het rapport van 12 mei 2015 op gewezen dat in 2009 een verbetering van de belastbaarheid niet werd uitgesloten, dat appellante in 2011 al niet langer beperkt werd geacht op onderdeel 1.9.3 van de FML en dat de primaire verzekeringsarts zowel in 2011 als in 2012 bij onderzoek van de psyche geen duidelijke afwijkingen kon vaststellen. In reactie op de zienswijze van appellante heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat de belasting in de privésituatie volgens vaste rechtspraak - de Raad wijst op bijvoorbeeld zijn uitspraak van 31 augustus 2011 ECLI:NL:CRVB:2011:BR6452 - bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing dient te blijven. Van de (aard van) bezigheden in de privésituatie kan echter wel een signaal uitgaan omtrent de belastbaarheid. Terecht heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat er op basis van de ontwikkeling in appellantes belastbaarheid, waarbij mede van belang is geacht het feit dat appellante ADL-onafhankelijk is en voor haar zoon zorgt in 2012 geen aanleiding meer was om een beperking aan te nemen op onderdeel 1.9.3 van de FML. Appellante heeft haar standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de situatie betreffende deze zorg te rooskleurig heeft ingeschat niet met gegevens afkomstig van bijvoorbeeld de behandelend sector, ook niet met gegevens van latere datum die zien op de in geding zijnde datum, onderbouwd.
3.4.
Uit 3.3 volgt dat het Uwv met het in hoger beroep overgelegde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep alsnog voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom bij de beoordeling in 2012 niet een beperking op onderdeel 1.9.3 van de FML geldt.
3.5.
Uit wat in de tussenuitspraak van 27 maart 2015 en in deze uitspraak is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit van 3 januari 2013 gegrond moet worden verklaard en dat dat besluit moet worden vernietigd. In hetgeen is overwogen onder 3.3 en 3.4 ziet de Raad aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen blijven.
4. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1.470,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.450,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 januari 2013;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.450,-;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 162,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2015.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) P. Boer

NK