ECLI:NL:CRVB:2015:4462
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Herziening mate arbeidsongeschiktheid en verdiencapaciteit in WIA-uitkering
Appellant, voormalig fulltime voorman, viel uit wegens hartklachten en kreeg een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 71,22% toegekend door het UWV. Na bezwaar en beroep werd deze mate herzien tot circa 71,88%, maar appellant betwistte de juistheid van de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep voerde appellant aan dat de verzekeringsarts de beperkingen onjuist had vastgesteld. Nieuwe medische rapporten werden overlegd, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat deze geen aanleiding gaven tot wijziging van het eerdere oordeel. De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met alle beperkingen en stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 75,98% met een resterende verdiencapaciteit van €728,19.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere vonnis, verklaarde het bezwaar gegrond, herroept het besluit van 10 juli 2013 en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de kosten van bezwaar en proceskosten in beroep en hoger beroep. De uitspraak vervangt het eerdere besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid en verdiencapaciteit per 1 juli 2013.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 75,98% en de resterende verdiencapaciteit op €728,19, het eerdere besluit wordt herroepen en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van kosten.