ECLI:NL:CRVB:2015:4518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid als agrarisch medewerkster
Appellante, werkzaam als agrarisch medewerkster, meldde zich ziek met rugklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts op 5 februari 2013 werd zij per 6 februari 2013 weer geschikt geacht voor haar arbeid. Het UWV beëindigde daarop haar uitkering en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen objectieve feiten waren die de belastbaarheid van appellante voor normale fysieke werkzaamheden in de weg stonden. Ook de armklachten werden niet als belemmerend gezien.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten wel belemmerend waren en stelde zij vraagtekens bij het arbeidskundig advies. De Raad concludeerde dat deze gronden een herhaling waren van eerdere bezwaren die reeds juist waren beoordeeld. Er was geen nieuwe medische informatie die aanleiding gaf tot een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en het besluit van het UWV tot beëindiging van de Ziektewetuitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellante geschikt is voor haar arbeid.