Uitspraak
OVERWEGINGEN
4.3. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het door het UWV vastgestelde bedrag van de aflossingscapaciteit en de betalingsregeling voor een openstaand bedrag van € 2.542,79. Het UWV had de aflossingscapaciteit vastgesteld op € 51,44 per maand en de betalingsregeling laten vervallen vanwege niet-naleving.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de vaststelling van de aflossingscapaciteit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het vervallen van de betalingsregeling af. De rechtbank oordeelde dat het UWV de aflossingscapaciteit correct had berekend op basis van de beslagvrije voet volgens artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij medische kosten niet worden meegenomen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn aanzienlijke medische kosten, die niet door de zorgverzekeraar worden vergoed, wel in aanmerking genomen moesten worden op grond van redelijkheid en billijkheid. De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat medische kosten behoren tot de normale bestaanskosten en niet meetellen bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit. Tevens is niet gebleken dat appellant deze medische kosten voldoende heeft onderbouwd.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de aflossingscapaciteit zonder rekening te houden met medische kosten.