Uitspraak
31 juli 2014, 14/2023 en 14/2641 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg op 2 december 2013 bijstand aan als alleenstaande en gaf een adres op. De gemeente Amsterdam voerde een onderzoek uit naar zijn woon- en leefsituatie, waarbij een huisbezoek was gepland op 18 februari 2014. Appellant was op dat moment niet aanwezig, waardoor het huisbezoek niet kon plaatsvinden. Het college wees de bijstandsaanvraag af wegens onvoldoende medewerking.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging. Hij stelde dat hij het gesprek als onaangenaam ervaarde en daarom niet aanwezig was bij het huisbezoek. Tevens voerde hij aan dat hij recht had op bijstand naar een lager tarief en dat het college hem niet had mogen dwingen te kiezen tussen privacy en bijstand.
De Raad oordeelde dat het college terecht een huisbezoek had gepland op grond van concrete aanwijzingen die twijfel opriepen over de juistheid van de verstrekte gegevens. De verklaring van de hoofdbewoonster ondersteunde deze twijfel. Het niet meewerken aan het huisbezoek was daarom een geldige grond voor afwijzing. De overige argumenten van appellant werden verworpen en het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens het niet meewerken aan een huisbezoek waarvoor een redelijke grond bestond.