Uitspraak
8 mei 2014, 14/83 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als verkoopmedewerkster en viel uit wegens psychische klachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 28 oktober 2013 omdat zij geschikt werd geacht haar eigen werk te hervatten. De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden verricht en geen ernstige psychopathologie hadden vastgesteld, waardoor de uitkering terecht werd stopgezet.
In hoger beroep stelde appellante dat zij nog steeds klachten had, onder behandeling was en dat een mishandeling haar klachten verergerde. Zij voerde aan dat het UWV haar ziekte verkeerd had ingeschat. De Raad oordeelde echter dat de medische onderzoeken en stukken voldoende grond boden om te concluderen dat zij per 28 oktober 2013 geschikt was voor haar werk. De Raad wees erop dat een diagnose of eigen opvatting niet doorslaggevend is voor geschiktheid.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De Ziektewetuitkering werd daarmee terecht beëindigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering per 28 oktober 2013 terecht is beëindigd wegens geschiktheid voor eigen werk.