Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant en zijn partner ontvingen bijstand naar de norm voor gehuwden, maar vanaf 19 juni 2013 woonden zij niet meer samen. Het college herzag daarop de bijstand en vorderde het teveel betaalde bedrag van €1.608,99 terug van appellant. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze terugvordering ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat het college onzorgvuldig handelde door zijn melding over de wijziging van de woonsituatie pas in augustus 2013 te verwerken en dat dit aanleiding had moeten zijn om (gedeeltelijk) af te zien van terugvordering, een beroep op de zesmaandenjurisprudentie. De Raad oordeelde echter dat deze jurisprudentie niet van toepassing is omdat de melding niet als een concreet signaal kon worden gezien dat een eerdere wijziging rechtvaardigde.
Verder bevestigde de Raad dat het college op grond van artikel 59, derde lid, WWB bevoegd is het volledige terugvorderingsbedrag van appellant terug te vorderen vanwege zijn hoofdelijke aansprakelijkheid als een van de subjecten van de verstrekte gezinsbijstand. Ook het bezwaar dat het bedrag niet inzichtelijk zou zijn, werd verworpen omdat het college de samenstelling voldoende had toegelicht.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het volledige bedrag door het college bevestigd.