ECLI:NL:CRVB:2015:4741
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens ontbreken rechtmatige verblijfstitel
Appellant, met de Turkse nationaliteit, diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af omdat appellant geen verblijfstitel heeft die recht op bijstand verleent. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn situatie gelijkgesteld moet worden aan die van vreemdelingen die wel recht op bijstand hebben volgens artikel 11, tweede lid, WWB. Tevens voerde hij aan dat het beleid jegens hem en zijn gezin onevenredig is en beriep zich op artikel 27 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
De Raad oordeelde dat appellant rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 8, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000, maar dat deze verblijfstitel geen aanspraak op bijstand geeft omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 11, tweede en derde lid, WWB. Ook het beroep op het IVRK werd verworpen omdat deze verdragsbepaling geen directe werking heeft. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de bijstandsaanvraag.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd omdat appellant geen verblijfstitel heeft die recht op bijstand geeft.