ECLI:NL:CRVB:2015:4786
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaalde aanvraag Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden
Appellant diende in januari 2012 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering vanwege psychische klachten, die door het UWV werd afgewezen omdat hij met zijn beperkingen in staat werd geacht meer dan 75% van het minimumloon te verdienen. Na een nieuwe aanvraag in april 2013 wees het UWV deze opnieuw af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beperkingen reeds in 2012 waren betrokken bij de beoordeling.
In hoger beroep stelde appellant dat er sprake was van nieuwe medische feiten, waaronder een complexe persoonlijkheidsstoornis en een moeizaam rouwproces. De Raad overwoog dat het UWV de aanvraag voor de periode na april 2013 niet volledig had beoordeeld, maar dat voldoende gegevens beschikbaar waren om tot een oordeel te komen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de nieuwe medische informatie geen nieuwe feiten opleverde die aanleiding geven tot een ander besluit.
De medische stukken die pas in hoger beroep werden overgelegd, werden buiten beschouwing gelaten. De Raad concludeerde dat appellant geen aanspraak kan maken op een Wajong-uitkering voor de periode na april 2013, omdat de beperkingen niet terug te voeren zijn op zijn situatie op zijn 18e verjaardag. Het beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De herhaalde aanvraag Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.