Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:1742

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 mei 2014
Publicatiedatum
21 mei 2014
Zaaknummer
12-6257 Wajong
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek herziening Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft bij het UWV een verzoek ingediend tot herziening van een eerder besluit waarbij haar een Wajong-uitkering werd geweigerd. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden. De rechtbank Dordrecht verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet in de gelegenheid was gesteld aanvullende medische verklaringen in te dienen. Zij overhandigde diverse medische documenten, waaronder brieven van artsen en een rapport van een adviserend geneeskundige. Het UWV stelde dat deze stukken niet in de beoordeling konden worden betrokken, conform vaste jurisprudentie van de Raad.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het beoordelingskader van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat alleen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aanleiding geven tot herziening. De Raad concludeerde dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd. Ook achtte de Raad het niet relevant dat zij aanvullende stukken had overgelegd, omdat deze niet in de beoordeling mogen worden betrokken in deze procedure.

De Raad vond geen aanleiding om het bestreden besluit onjuist te achten en zag geen schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het herzieningsverzoek bevestigd.

Uitspraak

12/6257 Wajong
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van
12 oktober 2012, 12/341 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 21 mei 2014
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.J. Manspeaker hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.
Bij besluit van 28 oktober 2011 heeft het Uwv de aanvraag van appellante, geboren
[in] 1973, om een uitkering op grond van de voormalige Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (hierna: Wajong) aangemerkt als een verzoek om herziening van het ingevolge die wet jegens haar genomen besluit van
14 juli 2003 en dit verzoek afgewezen. Bij laatstgenoemd besluit is aan appellante geweigerd per 1 januari 1994 een uitkering ingevolge de Wajong toe te kennen, op de grond dat appellante niet arbeidsongeschikt was op de dag dat zij 17 jaar werd, noch tenminste zes maanden voorafgaande aan de na haar 17de verjaardag ingetreden arbeidsongeschiktheid studerende was. Het tegen het besluit van 28 oktober 2011 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 9 februari 2012 ongegrond verklaard.
2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het Uwv met toepassing van het bepaalde in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot afwijzing van het verzoek om herziening heeft kunnen komen, nu appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Het beroep is daarop ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante doen aanvoeren dat de rechtbank ten onrechte haar niet in de gelegenheid heeft gesteld om aanvullende verklaringen in te dienen over haar gezondheidstoestand. Tevens heeft zij brieven ingezonden van de haar rond 1990 behandeld hebbende artsen, een bericht van 2 december 2012 van haar huisarts L.A.B. Wilsoe en een rapport van 11 juli 2013 van de adviserend geneeskundige O. Mahadew dat is opgemaakt in het kader van een onderzoek op grond van de Wet Werk en Bijstand.
3.2.
Het Uwv heeft onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 31 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012: BX6233 en 30 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO8674 aangevoerd dat de rechtbank terecht appellante niet in de gelegenheid heeft gesteld nadere gegevens in het geding te brengen, nu deze door de rechtbank toch niet in de beoordeling betrokken kunnen worden. Voor de in hoger beroep overgelegde gegevens geldt, wat daarvan inhoudelijk ook zij, aldus het Uwv, dat deze niet door de Raad in de beoordeling kunnen worden betrokken.
4.
De Raad overweegt als volgt.
4.1.
Gegeven het door de rechtbank geschetste beoordelingskader als bedoeld in 2 ziet ook de Raad geen aanleiding het bestreden besluit voor onjuist te houden. Appellante heeft immers aan haar verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb ten grondslag gelegd.
4.2.
De Raad laat verder onbesproken de in beroep bij de rechtbank en in hoger beroep door appellante overgelegde stukken. In het kader van de rechterlijke toetsing van een met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb genomen besluit dient volgens zijn vaste rechtspraak
- naast de door het Uwv genoemde uitspraken ook zijn uitspraak van 14 september 2007,
ECLI:NL:CRVB:2007:BB3594 - met nieuwe feiten of veranderde omstandigheden dan wel stukken die pas in de fase van beroep of hoger beroep naar voren zijn gekomen of zijn overgelegd, geen rekening te worden gehouden.
4.3.
Naar in het hiervoor overwogene ligt besloten treft de beroepsgrond van appellante dat de rechtbank haar niet in de gelegenheid heeft gesteld nadere stukken in het geding te brengen geen doel. De Raad heeft ook geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het Uwv bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek onder verwijzing naar in dit geval het besluit van 14 juli 2003, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel. Van strijd met het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel, zoals gesteld, is geen sprake.
4.4.
De overwegingen 4.1 tot en met 4.3. leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en
D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) E. Heemsbergen

HD