Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, wiens recht op studiefinanciering eindigde op 31 augustus 2009, kreeg per 1 januari 2012 de aflosfase van zijn studieschuld opgelegd. Bij het Bericht Terugbetalen 2013 werd zijn schuld vastgesteld op €45.120,26 en de maandelijkse terugbetalingsverplichting op €315,73. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van deze verplichting en stelde dat hij ten onrechte niet in bezwaar was gehoord en dat de draagkrachtberekening onjuist was.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de minister niet verplicht was appellant te horen tijdens de bezwaarprocedure en dat de draagkrachtberekening correct was toegepast. De minister baseerde het besluit op de juiste wettelijke grondslag, namelijk hoofdstuk 10a van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), omdat appellant vóór het studiejaar 2009-2010 studiefinanciering ontving en geen aanvraag had gedaan voor het nieuwe regime.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelt dat het horen van appellant niet verplicht was en dat het besluit voldoende is gemotiveerd. De minister heeft inzichtelijk gemaakt hoe de draagkracht is berekend, en de vaststelling van het maandbedrag van €353,12 als draagkracht wordt niet onjuist geacht. De maandelijkse terugbetalingsverplichting is terecht vastgesteld op het wettelijke termijnbedrag van €315,73. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: De maandelijkse terugbetalingsverplichting van appellant is terecht vastgesteld op het wettelijke termijnbedrag van €315,73.