ECLI:NL:CRVB:2015:4819
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onvoldoende verzekeringsgeneeskundige grondslag in WIA-uitkeringsbesluit
Appellante meldde zich gedeeltelijk ziek wegens vermoeidheidsklachten en het UWV stelde vast dat zij per 5 juni 2013 weer geschikt was voor haar eigen werk, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd, maar appellante ging in hoger beroep.
Zij voerde aan dat haar beperkingen groter zijn dan door het UWV aangenomen, met een maximale belastbaarheid van vijf uur per dag. Medische rapporten van neuroloog Van der Ploeg en cardioloog Doevendans onderbouwen haar stellingen. Het UWV stelde dat er geen objectieve medische verslechtering was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende waren verwerkt.
De Raad concludeert dat de beperkingen zoals vastgesteld door het UWV onvoldoende aansluiten bij de medische bevindingen, waaronder die van de neuroloog en bedrijfsarts. Het UWV heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het de beperkingen niet aanpast. Daarom beveelt de Raad het UWV aan het besluit te herstellen, eventueel met aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek.
De uitspraak betreft een tussenuitspraak in hoger beroep, waarin het UWV wordt opgedragen binnen zes weken het gebrek in het besluit te herstellen. De Raad benadrukt het belang van een deugdelijke verzekeringsgeneeskundige grondslag voor het besluit.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen met een betere verzekeringsgeneeskundige onderbouwing en zo nodig aanvullend onderzoek.