Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op circa 44%, hetgeen leidde tot een loongerelateerde WGA-uitkering. Zij stelde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onvoldoende rekening hield met haar klachten, waaronder pijn en vermoeidheid door lymfoedeem na mammacarcinoom, en dat zij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Het UWV wijzigde vervolgens het besluit en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 58,26%. De Raad beoordeelde het gewijzigde besluit mee in het hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat de FML de beperkingen van appellante aan het bovenlichaam voldoende weerspiegelde. De door appellante ingebrachte medische rapporten boden geen aanleiding om het oordeel van de verzekeringsartsen te verwerpen. Ook de arbeidsdeskundige rapporten toonden aan dat appellante geschikt was voor licht werk binnen haar beperkingen.
De Raad wees het beroep tegen het gewijzigde besluit af, vernietigde het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De Raad zag geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige en verwierp het betoog dat de rechtbank dit had toegezegd.