ECLI:NL:CRVB:2015:4910
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening studiefinanciering wegens niet-woonachtig op GBA-adres
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap had studiefinanciering toegekend aan betrokkene op basis van de norm voor een uitwonende studerende, terwijl betrokkene in de GBA stond ingeschreven op een ander adres dan dat van haar ouders. Na controles en huisbezoeken concludeerde de minister dat betrokkene niet woonde op het GBA-adres, waarna de studiefinanciering werd herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende en het te veel betaalde bedrag werd teruggevorderd.
De rechtbank stelde zich op het standpunt dat het rapport van de huisbezoeken onvoldoende bewijs bood dat betrokkene niet woonde op het GBA-adres, mede omdat betrokkene aanwezig was bij huisbezoeken op dat adres en persoonlijke spullen daar waren aangetroffen. Betrokkene stelde dat zij tijdelijk bij haar ouders verbleef vanwege omstandigheden zoals een gesprongen waterleiding en het overlijden van haar grootvader.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders dan de rechtbank en acht de bevindingen van het rapport voldoende aannemelijk dat betrokkene niet woonde op het GBA-adres. De Raad stelt dat de persoonlijke spullen op het adres van de ouders en het ontbreken daarvan op het GBA-adres dit ondersteunen. Betrokkene heeft onvoldoende objectief bewijs geleverd om aan te tonen dat zij gedurende de relevante periode op het GBA-adres woonde. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de herziening van de studiefinanciering bevestigd.