ECLI:NL:CRVB:2015:4959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.H. Bangma
- W.J.A.M. van Brussel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens toerekenbaar plichtsverzuim na weigering werkhervatting
Appellant was sinds 1975 werkzaam bij de gemeente Grave en werd geconfronteerd met een reorganisatie waarbij hij een functie bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst-CGM (ISD) moest aanvaarden. Na spanningsklachten meldde hij zich ziek, maar werd door bedrijfsartsen hersteld verklaard. Het college staakte daarop zijn bezoldiging wegens het niet hervatten van het werk. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en tegen het disciplinaire ontslag dat het college oplegde wegens plichtsverzuim.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde de besluiten tot stopzetting van bezoldiging, maar handhaafde het ontslagbesluit. In hoger beroep werd het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad oordeelde dat appellant geen geldige reden had om niet op 8 juni 2010 en 31 augustus 2010 het werk te hervatten. De medische rapporten, waaronder dat van de door de Raad benoemde deskundige Koerselman, wezen uit dat het plichtsverzuim aan appellant kon worden toegerekend.
De Raad vond het ontslag niet disproportioneel gezien de ernst van het plichtsverzuim en het herhaaldelijk negeren van werkopdrachten. De eerdere klachten tegen de bedrijfsarts en de toekenning van een Ziektewet-uitkering veranderden hieraan niets. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens toerekenbaar plichtsverzuim wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.