Appellant, bekend met een verstandelijke beperking, ontving in 2005 een persoonsgebonden budget (pgb) dat later werd omgezet naar zorg in natura vanwege opname in een hersenletselkliniek. Het Zorgkantoor stelde in 2008 het pgb over 2005 vast en vorderde een groot bedrag terug, maar verstuurde het besluit naar een oud-correspondentieadres. Appellant maakte pas in 2013 bezwaar tegen dit besluit, wat door het Zorgkantoor niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkheid. In hoger beroep stelde appellant dat het besluit niet juist was bekendgemaakt en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was, gezien zijn situatie en het overlijden van zijn bewindvoerder. De Raad oordeelde dat het besluit wel correct was bekendgemaakt, maar dat de termijnoverschrijding wel verschoonbaar was omdat appellant zelf niet in staat was zijn post te beheren en de familie niet op de hoogte was van het besluit.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en droeg het Zorgkantoor op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens werden de proceskosten aan appellant toegekend.